|
Uitzending Havenstad FM 6 januari 2007 |
Sneeuw.
Het voorspellen van de neerslagvorm is één van de meest uitdagende problemen in de meteorologie. Niet alleen sneeuw of regen, maar ook: hoe groot is de regendruppel of is er motregen. En: is er kans op woestijnzand of is ijsregen mogelijk?
Laten we beginnen met sneeuw.
Wist u dat:
· 90% van de neerslag begint in de vorm van sneeuw? Inderdaad, moeilijk om dit voor te stellen, mede omdat de meeste neerslag hier in de vorm van regen valt.
· Sneeuw ontstaat door het aan elkaar plakken van ijskristallen.
· Driftsneeuw kan beginnen bij een temperatuur onder nul en een “hoge” windkracht 4 (meer dan 15 knopen).
· Een sneeuwstorm matige of zware sneeuw is en een windkracht 8. Een sneeuwjacht is er vanaf windkracht 6.
Maar wanneer valt er nu sneeuw? Daartoe moeten we een onderscheid maken tussen buien en zogeheten “frontale neerslag”. Bij buien is het temperatuurverval tussen grond en bovenlucht groot, bij frontale neerslag kan het aan de grond -1 zijn, en op 3000 meter ook -1. Als de temperatuur in de tussenliggende niveaus maar onder nul blijft.
Uitleg kaart:
Op deze kaart is de hoogte van het 850 hPa-vak in decameters geplot met dikke witte lijnen (zogenaamde isohypsen) en de temperatuur op 850 hPa in kleuren geplot. De temperatuur op 850 hPa is over het algemeen indicatief voor de lucht die er bij ons onderin de atmosfeer zit, lage temperaturen wijzen op koude lucht en hoge juist op warme. Op 850 hPa zit je ook (net) boven de atmosferische grenslaag, en zijn de invloeden van de locatie/grond niet direct meer merkbaar. Helaas is het verloop van de temperatuur naar de grond toe niet regelmatig en dan vooral niet in de eerste paar km van de atmosfeer (onder andere 'koude plaklagen' en 'inversies' zijn spelbrekers), dus kun je de temperatuur op 850 hPa helaas meestal niet echt rechtstreeks herleiden naar een temperatuur aan het aardoppervlak. Als je weet hoe het temperatuurprofiel er wel uit ziet (bijvoorbeeld door te kijken naar een 'temp' oftewel een grafiek van een radiosonde oplating) of als je een idee hebt hoe de weerssituatie is (hogedrukgebied of lagedrukgebied) dan kun je er wel wat meer over zeggen.
Voor sneeuw kunnen we opnieuw de temperatuur op 850 millibar te hulp roepen. Hierboven afgebeeld.
· Bij buien: vanaf -7 kans op sneeuw.
· Onder de -10: vrijwel alle buien zijn sneeuwbuien.
En uiteraard de neerslagkaart, om te kijken of er überhaupt neerslag valt. Deze kaart spreekt voor zich.
Maar ook bij frontale neerslag (als er een warmtefront of een occlusie nadert) is die temperatuur handig.
· Bij frontale neerslag: vanaf -3 grote kans op sneeuw.
· Boven de -1: alleen kans op ijzel of ijsregen.
Ook is de zogeheten “dikte tussen 1000 en 500 millibar” van belang. De dikte is een soort gemiddelde temperatuur tussen 1000 en 500 millibar. Diverse modellen laten dit getal zien. De dikte 1000-500 is vooral handig rond depressies. Hieronder staat een kaart afgebeeld van de UK Met Office.
Nog een andere leuke kaart is de onderstaande.
Uitleg kaart:
Gronddruk is natuurlijk de verwachte luchtdruk aan de grond/op zeeniveau.
Bewolkings% is de verwachte hoeveelheid bewolking, 0% is onbewolkt, 100% is
helemaal bewolkt. Erg handig om storingen en/of frontale systemen terug te
vinden.
Frontale systemen kun je ook wel terug vinden aan de hand van de
diktelijnen. Met name aan de warme sector, een 'bel' warme lucht die naar
het noorden is opgedrongen en tussen twee 'fronten'/regengebieden inzit. Hoe
kun je die warme lucht dan herkennen zul je vragen. Nou, het is vrij simpel
te zeggen: warme lucht zet uit, hierdoor neemt dezelfde hoeveelheid lucht
meer ruimte in en worden drukvlakken als het ware uiteengedrukt. Dit
betekent dus dat bij warme lucht de dikte van de luchtlaag tussen de 1000 en
500 hPa-vlakken (wat dus de de 1000-500 hPa dikte is) groter is, bij koude
lucht is deze natuurlijk dan kleiner.
Zo'n 'bel' warme lucht valt dan te herkennen aan een noordwaartse
uitstulping in de diktelijnen en koude lucht aan een zuidwaartse
uitstulping.
In het onderstaande tabel een korte overzicht.
· 518 dam bij neerslag: kans op sneeuw 90%.
· 524 dam: 70%, met uitzondering van een NW-buienstroming. Dan geen sneeuw.
· 526 dam: 50%.
· 529 dam: 30%.
· 533 dam: 10%.
In de bergen is de dikte 1000-500 minder bruikbaar, omdat de luchtdruk daar lager is.
Motsneeuw.
· Idem als voor motregen.
· Wolkenhoogte maximaal 300 meter.
· Wolkendikte maximaal 2000 meter.
· Kans op motsneeuw is groter aan de lijzijde van industriegebieden.