Uitzending Havenstad FM 9 december 2006


Alpenweer.

Eindelijk sneeuw in de Alpen!

 

Er is de afgelopen tijd geregeld aandacht in de media geweest voor de precaire situatie in de Alpen. Met het skiseizoen voor de deur ogen de meeste bergen nog angstaanjagend groen. Net als in andere delen van Europa is het najaar voor de Alpenregio superzacht verlopen. Door het optreden van föhnwinden ging de temperatuur in sommige delen kortgeleden nog dik over de 15 graden. En ook nu is het nog steeds niet koud. Maar het is wel koud genoeg om neerslag in de hogere delen in de vorm van sneeuw te laten vallen.

 

 

Zermatt Schwartzsee, webcam van rond het middaguur. Zermatt ligt in het zuiden van Zwitserland op zo'n 2583 meter hoogte. Hier ligt sneeuw, maar het is een frutsellaagje. Bron: www.bergbahnen.zermatt.ch
 

 

En dan het kerkplein in Zermatt. Sneeuwvrij, want ligt op 1600 meter hoogte. Bron: www.bergbahnen.zermatt.ch

 

 

Silvaplana, rond het middaguur. Ligt in het zuidoosten van Zwitserland, niet ver van St. Moritz, op 3.300 meter hoogte. Hoog genoeg voor een iets serieuzer laagje sneeuw. Bron: www.silvaplana.ch

 

Dat gebeurde dan ook 6 december 2006. In de lagere delen van de Alpen viel er forse regen, maar vanaf ongeveer 1500 meter hoogte ging de regen over in sneeuw. En kwam er een aardig pakket tot stand. De komende dagen valt er nog geregeld neerslag in de Alpen, maar geleidelijk kruipt de temperatuur wel weer omhoog. In de kaart hieronder (kaart 1) is te zien hoeveel neerslag er vanaf nu tot en met vrijdagmiddag wordt verwacht. Dat zijn hoeveelheden die er toe doen! Echter, tegelijkertijd zal ook de lucht langzaam opwarmen.

 

 

 

Kaart 1. Verwachte neerslaghoeveelheden voor de periode van 6 december tot en met vrijdagmiddag 8 december 2006 om 13.00 uur.

 

In kaart 2 en 3 zien we die opwarming terug. In de kaart zijn de verwachte temperaturen op zo’n 1500 meter hoogte aangegeven. De blauwe lijnen staan voor 0 graden, de groene voor +3 graden en de gele voor +6 graden. Op de kaart voor woensdag 6 december 2006 zien we de blauwe lijn over het westen van Zwitserland liggen. Op 1500 meter hoogte is het ongeveer 0 graden, wat betekent dat bij doorvallende neerslag er in die hoek vanaf 1200 a 1300 meter hoogte sneeuw valt. Iets meer oostwaarts, naar het zuidoosten van Zwitserland, ligt de groene lijn met +3 graden. Daar is het dus iets zachter, met sneeuwval boven 1700 meter. In Oostenrijk moest je op 6 december 2006 tot boven 2200 meter zijn voor sneeuw.

 

 

Kaart 2. De temperaturen op 1500 meter hoogte, 6 december 2006.

 

 

Kaart 3. De verwachte temperaturen op 1500 meter hoogte, 8 december 2006.

 

In kaart 3 zien we nogmaals de temperatuurverwachting voor 1500 meter hoogte, maar nu voor 8 december 2006 's middags. We zien nu dat de Alpen door gele lijnen worden doorkruist. Het is dus opgewarmd, tot zo’n +6 graden op 1500 meter hoogte. Daarmee moet je boven 2200 meter zijn wil je sneeuw zien in plaats van regen. Overigens, is er ook wat roods te zien, dat behelst de regio waar het op 1500 meter hoogte zo’n +9 graden is.

 

Nog steeds blijft dus gelden dat je hoog in de bergen moet zijn voor sneeuw. En daar zijn dan ook al mensen aan het skiën. Bijvoorbeeld in het zuidoosten van Zwitserland, in Silvaplana. Of in het Oostenrijkse Ischgl. Wij houden de (al dan niet) winterse situaties volop in de gaten de komende maanden. Je kunt hiervoor natuurlijk terecht op Meteo Delfzijl.

 


Andere berichtgeving omtrent de sneeuw.

 

Warm in de Alpen
 

Er wordt geskied in de Alpen, maar je moet daarvoor wel hoog in de bergen zijn. Of er rond kerst of in het nieuwe jaar goede wintersportmogelijkheden zijn, is nog niet te zeggen. Klimatologen zijn er inmiddels wel achter dat de Alpen met een bijzonder warme periode te maken hebben.

 

Een intensieve studie van het Alpenklimaat, waaraan meerdere Europese landen gedurende 3 jaar deelnamen, heeft aan het licht gebracht dat er de afgelopen jaren een duidelijke piek te zien is in de Alpentemperatuur. Een Oostenrijkse klimatoloog weet aan de hand van de onderzoeksresultaten te melden: “in de Alpen maken we nu de warmste periode mee van de afgelopen 1300 jaar.”

 

Volgens de studie is de warme periode al in de jaren 80 begonnen en enigszins vergelijkbaar met warme periodes in de 10de en de 12de eeuw. Toen lag de gemiddelde temperatuur iets onder de waarde die de afgelopen 20 jaar gemeten wordt. Volgens een woordvoerder zal het in de toekomst nog warmer worden.

 

In het onderzoek werd een reconstructie gemaakt van het klimaat in een groot gebied van Frankrijk tot Hongarije en van Italië tot Duitsland. Hiervoor kon men de weerwaarnemingen van de afgelopen 250 jaar gebruiken en bovendien werden metingen aan jaarringen van bomen en aan de toestand van het ijs in het onderzoek betrokken.

 

Er is verse sneeuw op komst, maar voorlopig zullen ook sneeuwkanonnen ingezet moeten worden. Hoe belangrijk de sneeuw is, blijkt wel uit de energie die erin wordt gestoken om geplande ski-evenementen te laten doorgaan. Zo reisden vrachtwagens uit het Tiroolse Hochfilzen af richting de Grossglockner om sneeuw te halen. In 5 dagen tijd werd tussen de negen- en tienduizend kuub vervoerd.

 


Het ene jaar blijven de wintersportgebieden in Europa groen, het andere jaar ligt er juist veel sneeuw. Dit jaar heeft met name oostelijk Europa veel sneeuw, maar ook in grote delen van het Alpengebied en de jaren viel er soms veel sneeuw in korte tijd, maar toch blijkt uit klimaatgegevens van de laatste decennia dat de gemiddelde hoeveelheid sneeuw op het noordelijk halfrond vooral sinds eind jaren tachtig is verminderd, met name in het voorjaar.

 

De dooi begon eerder en meren ontdooiden vroeger in het jaar. De neerslag viel naar verhouding vaker in de vorm van regen en in het Alpengebied en de Duitse middelgebergten is een afname vastgesteld in de totale hoeveelheid sneeuw. In Noord-Europa is in het algemeen meer neerslag gevallen, maar in de meestal zachte winters was dat vaak regen.

Deze veranderingen beantwoorden aan de verwachtingen die klimaatonderzoekers hebben van de opwarming van het klimaat. De opwarming wordt ook bevestigd door de gletsjers: sinds het midden van de vorige eeuw zijn de gletsjers op veel plaatsen in de wereld aan het terugtrekken. De waargenomen afname van de gletsjers in de twintigste eeuw loopt in de pas met de opwarming van het klimaat, in de 20e eeuw tussen 0,6 tot 1,0 graad in alpine gebieden.

Toch gaat het veel te ver om alle geconstateerde veranderingen zonder meer toe te schrijven aan de opwarming van het klimaat. Er is nog relatief weinig bekend over de oorzaak van klimaatveranderingen op kleine schaal, zoals het Alpengebied. Mogelijk spelen allerlei lokale effecten en invloeden een rol en die hoeven niet met het klimaat te maken te hebben. Zo is in de wintersportgebieden de laatste jaren veel bos gekapt om ruimte te maken voor skihellingen. Daardoor stroomt water sneller weg, droogt de grond uit zodat er nog meer bomen verdwijnen en de sneeuw eerder in lawines naar beneden komt.

Wel gaan klimaatonderzoekers ervan uit dat de opwarming doorgaat (met 1 tot 6 graden in de 21e eeuw) en dat de neerslaghoeveelheden in het Alpengebied in de komende decennia 's winters zullen toenemen. De hoogte van de sneeuwgrens schuift bergopwaarts, met 100 tot 150 meter per graad opwarming.

Weer in vakantielanden Auteur: Rob Groenland

Wintersportweer in de Alpen
"Tegen de noordkant van de Alpen valt er vannacht vanaf 600 meter hoogte, zo'n 20 centimeter verse sneeuw, aan de zuidkant ligt de vorstgrens een stuk hoger en valt er onder 1200 meter enige regen en daarboven wat lichte sneeuw. In de loop van volgende week stabiliseert het weer zich en vormt zich in de dalen mist bij matige tot strenge vorst. De sneeuwcondities zijn eerst goed, later tussen 1000 en 2000 meter matig omdat de temperatuur daar tot ruim boven het vriespunt oploopt".
Dit is een karakteristiek winterweerbericht, waarin feitelijk heel veel informatie zit verscholen. Toch kun je aan de hand van een kort weerbericht en een weerkaart een goed beeld vormen van wat voor type weer je kunt verwachten. In dit artikel belicht ik een aantal grootschalige en lokale factoren, waarmee elke wintersporter tijdens zijn vakantie wel een keer te maken krijgt.

Grootschalige effecten
Typen circulaties
Het weer in de Alpen wordt zowel door grootschalige als door kleinschalige factoren beïnvloed. Als we ons concentreren op de grootschalige effecten dan is het belangrijk te kijken naar het algehele stromingspatroon in de omgeving van de Alpen. (Het Föhn-stuweffect) is hierin erg bepalend (zie artikel Het weer in de bergen in Het Weer! Magazine nummer 3 van vorig jaar. Afhankelijk van aan welke kant van de bergen men zich bevindt, kan het zwaar sneeuwen of droog zijn met een vriendelijk zonnetje. We kunnen de volgende indeling beschouwen:

 

Noord-circulatie
Dit type stromingspatroon is berucht voor niet alleen de Alpen, maar voor het gehele reistraject vanuit Nederland. Op de weerkaart zien we hogedrukgebieden boven de Britse eilanden, terwijl lagedrukgebieden zich boven het westen van Rusland en het oosten van Europa ophouden. Tussen beide luchtdruksystemen in, wordt met een noordelijke stroming koude lucht uit Scandinavië aangevoerd. Door stuwwerking wordt deze lucht tegen de noordkant van de Alpen omhoog gebracht, waarbij zich een dik wolkenpakket vormt en het op uitgebreide schaal gaat sneeuwen. Dit gebeurt niet alleen vlak tegen de eerste bergkammen aan maar ook een stuk stroomopwaarts boven het vlakke land van Duitsland. Overvloedige sneeuwval in het noorden van Oostenrijk en Zwitserland is het gevolg. Aan de andere kant profiteren de Italiaanse departementen van föhnwerking; daar schijnt veelal de zon maar moet men wel rekening houden met tamelijk winderige omstandigheden. Automobilisten die vanuit Nederland naar de Alpen rijden ondervinden meestal veel hinder van sneeuwval en gladde wegen.

 

 

Zuid-circulatie
Hier krijg je precies het omgekeerde effect. De Italiaanse Alpen, de zuidoostkant van de Franse Alpen en het zuiden van Oostenrijk en Zwitserland hebben te kampen met veel sneeuw, en in de onderste 1000 tot 2000 meter ook vaak regen. Dit heeft te maken met het feit dat vanuit het zuiden veel zachtere lucht vanaf het Middellandse zeegebied binnenkomt. De hele noordkant daarentegen profiteert nu van de föhn. Wie vanuit deze gebieden in zuidelijke richting kijkt vanaf een hoog punt ziet nog wel een dreigende wolkenmuur aan de horizon, maar die niet verder dichterbij komt omdat de bewolking eenvoudigweg afkalft. De beste gebieden zijn dus het noorden van Oostenrijk en Zwitserland. Wel is het zo dat door de föhn de temperatuur met name in de dalen ruim boven het vriespunt oploopt.

 

 

West-circulatie

Als zich een west-circulatie boven West-Europa instelt, dan zien we regelmatig een krachtig hogedrukgebied pal boven de Alpen. Dit zijn de zeer rustige wintersituaties waarin juist de lokale effecten een bepalende rol in het weer gaan spelen. De dalen zitten dagen lang in de mist bij een temperatuur die niet boven het vriespunt uitkomt. Op de toppen van de pistes schijnt de zon en wordt het soms meer dan + 10 graden. Met de dooi valt het dan reuze mee omdat de lucht te droog is om de sneeuw goed te doen laten smelten.

 

 

Kleinschalige effecten


Grote verschillen in weer en temperatuur tussen berg en dal


"Ik sta 's ochtend in het dal op en bij het openen van de gordijnen hangt er een dikke mist bij -5 graden. Plotseling gaat daar de telefoon. Het is mijn broer die met zijn mobieltje vanaf de top van de skipiste belt. De zon is net op en hij is alvast het gebied 1000 meter hoger aan het verkennen. Hij meldt een temperatuur van + 8 graden en onder hem ziet hij de bewolking hangen waar ik me in bevind! Onbegrijpelijk wat een grote verschillen in temperatuur. Ik heb altijd geleerd dat het kouder wordt naarmate je hoger komt in de atmosfeer. "

 

Toch zijn dit soort waarnemingen vrij normaal tijdens een wintersportvakantie in de Alpen. Dit heeft alles te maken met een zogeheten temperatuurinversie. Meestal is het inderdaad zo dat de temperatuur met de hoogte daalt (zie ook kaderstuk: temperatuur uitrekenen in de bergen). Als zich in de winter een hogedrukgebied vormt boven de Alpen dan valt de grootschalige stroming feitelijk helemaal weg. Wat we dan zien is dat in de dalen alle koude lucht zich verzamelt (deze is immers zwaarder dan de omgevingslucht). Tegelijkertijd vindt er op enige hoogte een opwarming plaats (ten gevolge van dalende luchtbewegingen in het hogedrukgebied). Niet zelden stijgt de temperatuur op een hoogte van 2500 tot enkele graden boven het vriespunt. Daar dus volop dooi terwijl in de dalen het kwik soms onder de -15 graden ligt. De aanzienlijk zachtere lucht tussen 500 en 3000 meter hoogte "drijft"als een soort vlies over de koude en zware dallucht. Als we vanuit het dal opstijgen, zullen we een temperatuurstijging met de hoogte meten; dit is omgekeerd aan de "normale"situatie en dus spreken we van een inversie.

 

Spannende rit in kabelbaan

Tijdens een inversie-situatie op uw wintersportbestemming moet u maar eens een tocht met de kabelbaan maken. Met name de onderste kabelbanen zijn interessant omdat je daar vanuit het dal omhoog gaat en lijfelijk kunt meemaken hoe het is om door de inversie heen te prikken. Je stijgt letterlijk vanuit de mist op en maakt een temperatuursstijging mee van 10 tot soms 20 graden. Niet vreemd dat sommige mensen met hoofdpijn bovenop de pistes arriveren.

Met behulp van een vrij eenvoudige vuistregel kunt u tijdens vakanties in de bergen de temperatuur uitrekenen op de diverse hoogten. Als u in het laagland rijdt, kunt u door het bepalen van de temperatuur ter plaatse (bijvoorbeeld uw autothermometer) in combinatie met de rekenregels, snel de temperatuur op de diverse hoogtes uitrekenen. Zo weet u waar de vorstgrens zich bevindt en dus waar eventuele regen overgaat in sneeuw. Echter deze regels gelden in het zomerseizoen vrijwel elke dag maar in het winterseizoen alleen op de winterdagen waarin er ook voldoende wind staat. DENK EROM: deze regel is NIET van toepassing als er sprake is van een scherpe inversiesituatie (zie tekst in dit artikel).

Als we om de vrije atmosfeer 1000 meter omhoog gaan zal de temperatuur 10 graden lager zijn (vergelijk dit maar met een luchtballon die vanaf een plateau opstijgt). Dit geldt echter niet als je over een hellend vlak omhoogloopt ; dan moet je een iets andere rekenregel gebruiken.
Omdat de bergen zelf ook sterk worden opgewarmd, zal de daling van de temperatuur 0.6 graden per 100 meter bedragen

dus temperatuursafname voor

een vlak plateau 1 graad/100 meter
een hellend vlak 0.6 graad/100 meter

Rekenvoorbeeld
Stel je vertrekt uit een bergdal op 2000 meter waar het overdag 6 graden wordt. In de middag kom je aan op 3000 meter, daar zal het circa 0 graden zijn. Namelijk 6 - 10x0.6 graden = 6-6 = 0 graden. Deze vuistregel is niet altijd geldig, maar in de meeste gevallen klopt deze behoorlijk goed. Het maakt bijvoorbeeld niet uit of het bewolkt of zonnig is!

Nog een rekenvoorbeeld: In de weersverwachting wordt voor Zurich (400 meter) een temperatuur van + 2 graden gegeven met veel bewolking en af en toe regen. Dat komt in de winter best wel eens voor, met name bij een zuidwestenwind Hogerop in de bergen valt de neerslag zeker in de vorm van sneeuw. Reken maar uit De vorstgrens en tevens de grens waarbij het sneeuwt ligt op 400 + 2/0.6 = 733 meter. Op 2000 meter vriest het al 7.6 graden.

 


 

Winter op hoog niveau Auteur: Reinier van den Berg

 

Elk jaar zijn we weer benieuwd wat voor winter het wordt. IJsliefhebbers hopen op een koude winter waarin ze volop kunnen schaatsen, anderen zien het liefst een enorm dik pak sneeuw voor de deur en er zijn natuurlijk ook mensen die juist van een zachte winter houden. Alleen als je bereid bent om op reis te gaan voor je favoriete winter, maak je een serieuze kans om zo'n winter ook mee te maken.

Voor een sneeuwrijke winter kun je natuurlijk vertrekken in noordelijke richting. In Noorwegen en Zweden zijn gebieden waar elke winter wel een paar meter sneeuw valt. En ook in Canada of Noord-Amerika zijn zulke gebieden te vinden. Maar je kan ook naar het zuiden reizen, en dan hoef je niet eens ver weg te gaan. Duizend kilometer is meer dan genoeg. We hebben het over de hoger gelegen oorden van Europa. De bergen. De wintersportgebieden. Waarom valt er eigenlijk zo veel sneeuw in de bergen. Hoe kan het nou in de Italiaanse Apennijnen vaker en harder sneeuwen dan het noordelijk gelegen Nederland.

 

Luchtdruk en temperatuur


Op grotere hoogte in de atmosfeer is het vrijwel altijd kouder dan vlak boven het aardoppervlak. Dit heeft de maken met de dichtheid van de lucht. Onder invloed van de zwaartekracht van de aarde is de dichtheid van de lucht in de onderste meters van de atmosfeer stukken groter dan bijvoorbeeld op 5 kilometer hoogte. Op grote hoogte is de lucht erg ijl. In die ijle lucht zit ook nog maar weinig zuurstof. Vandaar dat we op de hoogste bergen zuurstofmaskers nodig hebben.
Nu is de temperatuur van de lucht in evenwicht met de dichtheid van lucht, of preciezer gezegd, luchtdruk en temperatuur zijn aan elkaar gerelateerd. Verlagen we de druk, dan daalt de temperatuur. Dit verband tussen luchtdruk en temperatuur is te berekenen. Onder normale omstandigheden daalt de temperatuur met 10 graden voor elke kilometer die we omhoog gaan. Dit geldt echter alleen indien de lucht niet is verzadigd van vocht. Zodra de lucht wel verzadigd is, daalt de temperatuur nog maar met 6 graden per duizend meter. Dit is bijvoorbeeld het geval in een dikke wolkenlaag. Nu zijn er natuurlijk altijd omstandigheden die sterk afwijken van wat we normaal zien. Soms stijgt de temperatuur zelfs met toenemende hoogte. Als dit voorkomt spreken we in de weerkunde van een inversie. Een inversie is meestal maar een dunne, afwijkende laag in een atmosfeer die voor de rest gewoon met 6-10 graden kouder wordt per kilometer.

 

Boomgrens en temperatuur


De bergen reiken met hun toppen uiteraard ook in deze ijlere, en dus koudere lucht. Vandaar dat het bergklimaat er heel anders uit ziet dan het klimaat zoals dat in het laagland heerst. Dit is overigens ook goed te zien aan de vegetatie. Zo zien we in de Alpen de boomgrens ergens in de buurt van de 2000 meter liggen. Als we maar ver genoeg naar het noorden gaan komen we in Arctische gebieden waar ook geen bomen meer groeien. De vegetatie is sterk afhankelijk van het klimaat.
Vanwege de relatie tussen temperatuur en hoogte is het niet verbazingwekkend meer dat het in de hogere bergen 's winters doorgaans vriest. Maar de verschillen in temperatuur kunnen er van dag tot dag erg groot zijn. Soms gaat het in hartje winter ineens 5 tot 10 graden dooien, terwijl het kwik een dag later tijdens een sneeuwjacht al weer terug is bij -10 graden.
Op het meetstation van de Zügspitze, in Zuid Duitsland, kan het op een hoogte van 3000 meter in de zomermaanden soms nog 17 of 18 graden worden. Maar de gemiddelde middagtemperatuur bedraagt er 's zomers slechts 5 graden. In februari vriest het hier overdag gemiddeld 9 graden en duikt het kwik heel soms onder de -30 graden.

 

Neerslag


En zo kennen de hoge bergen in Europa lange, ijzige winters. Maar daarmee is nog niet direct gezegd dat er ook altijd veel sneeuw valt. Als er neerslag valt, dan is dat wel in het algemeen in de vorm van sneeuw, zeker op hoogten boven de 2000 meter.
Maar de bergen hebben zelf een sterk effect op de activiteit van neerslaggebieden. Ze veroorzaken vaak zelfs hun eigen neerslag. De verklaring vinden we bij luchtstromingen.
Lucht die voortbewogen wordt door de wind gedraagt zich net als het water in een rivier. Als we een groot obstakel in de rivier leggen, zal het water er in eerste instantie omheen gaan stromen. Sluit het obstakel de rivier grotendeels af, dat hoopt het water zich op, om uiteindelijk over het obstakel of over de dam heen te gaan stromen. Als er over Europa een noordelijke luchtstroming staat zien we iets vergelijkbaars gebeuren. Een deel van de lucht stroomt om de Alpen heen. Dat is onder meer goed te merken in de Rhônevallei in Frankrijk. Daar kan het zelfs gaan stormen bij een dergelijke situatie. Men spreekt er van de Mistral. Maar een groot deel van de lucht neemt de kortste weg en gaat over de Alpen heen. En dus stijgt de lucht op aan de voet van de Alpen.

Als lucht opstijgt, koelt ze af. Indien lucht afkoelt tot het condensatiepunt, beginnen de wolken zich te vormen. Indien deze wolken aan de loefzijde van de bergketen dik genoeg worden, gaan ze ook neerslag produceren. In het winterhalfjaar valt deze neerslag op de hogere hellingen in de vorm van sneeuw. Bij een noordelijke stroming over Europa ontstaan aan de noordrand van het Alpenmassief uitgestrekte, actieve sneeuwgebieden. Soms kan het dagen achtereen stevig door sneeuwen. Aan de zuidkant van de hoogste bergen kan de lucht gaan dalen. Dalende lucht warmt op. Hierdoor lossen wolken snel en effectief op. Bij een noordenwind is het aan de zuidkant van de Alpen vaak zonnig en zelfs erg zacht weer. De hoge temperatuur komt enerzijds door de zon, anderzijds door het zogenaamde föhneffect. De van oorsprong vochtige lucht die aan de loefzijde van de bergen op stijgt, wordt door het neerslagproces ontdaan van een heleboel vocht. Als deze uitgedroogde lucht aan de lijzijde weer gaat dalen naar het oorspronkelijke niveau, kan de lucht een aanzienlijk hogere temperatuur bereiken. Bij een zuidelijke stroming zien we de zware neerslag aan de zuidkant van de Alpen, en is het in bijvoorbeeld Zuid Duitsland juist schitterend en vrij warm weer. Ook dichter bij huis zien we deze verschijnselen. Als er in de winter een koude noordwestenwind over de Benelux waait, vallen er in Nederland vaak regen-, hagel- en natte sneeuwbuien. In de Ardennen valt de neerslag geheel in de vorm van sneeuw. De meeste sneeuw valt in het noorden en westen van de Ardennen. Aan de loefzijde dus. En ook in de zuidelijk gelegen bergen zorgt de combinatie van lage temperatuur op de bergtoppen en voldoende neerslag vaak voor aardig wat sneeuw.

 

Sneeuwzeker


Op jaarbasis valt er in veel Europese berggebieden aanzienlijk meer neerslag dan in eigen land. In de Alpen zijn jaarsommen van 1500 tot 2500 millimeter normaal. In Nederland komen we gemiddeld op circa 750 millimeter. Deze neerslagverhoging wordt veroorzaakt door het effect van gedwongen stijgende luchtbewegingen. In de winter zien we in de Alpen een voorkeur voor noordwestelijke luchtstromingen. Vandaar dat de gebieden in bijvoorbeeld het noorden van Zwitserland dan wat sneeuwzekerder zijn in vergelijking met bijvoorbeeld het zuiden van Zwitserland. Maar in de loop van de winter sneeuwt het ook in het zuiden dikwijls voldoende om in ieder geval op de hogere hellingen een mooie sneeuwlaag te krijgen.


Het Weer nader verklaard  Auteur: Harry Geurts

Sneeuw brengt de wereld tot rust
"Een stad in diepe sneeuw, je bent op een plek waar het vol lawaai hoort te zijn en het is er opeens doodstil". Godfried Bomans kon het niet treffender beschrijven, een ondergesneeuwde wereld is een oase van rust. Vooral verse droge sneeuw werkt als geluiddemper door de lucht die ze bevat. Zodra de sneeuw smelt neemt het lawaai toe. Een wandeling door de sneeuw klinkt daarom de ene keer anders dan de andere. Het geluid van voetstappen in de sneeuw, door de componist Claude Debussy voor de piano bewerkt, is afhankelijk van de temperatuur: de toon is hoger naarmate het kouder is. Bij temperaturen boven nul smelt de sneeuw onder onze voeten en zuigen de voetstappen het smeltwater op. Vriest het meer dan vijf graden, dan wordt de sneeuw vrijwel geruisloos samengedrukt. Bij meer dan twaalf graden vorst hoor je de sneeuw knarsen en kraken alsof je door glas loopt. Het verband tussen temperatuur en het geluid is zo sterk dat de Russisch natuurkundige Dobrowolski in staat was om uit het geluid van de sneeuw de temperatuur tot twee graden nauwkeurig te schatten, tenminste als de temperatuur tussen -2 en -20 graden lag.

Natte of smeltende sneeuw
In ons land valt sneeuw meestal bij hogere temperaturen en dan is het natte sneeuw. Dat is sneeuw die voor het grootste deel uit water bestaat. Ideaal voor sneeuwballen, -poppen en glijbanen. De Belgen noemen dat "smeltende sneeuw". Eigenlijk geeft dat precies weer wat er met deze sneeuw gebeurt: ze smelt meestal meteen en alleen als het flink sneeuwt kan zich, zeker als de bodem nog koud is, een laagje vormen. Dat kan aanleiding geven tot gladheid, vooral ook omdat de temperatuur tijdens de sneeuw tot dicht bij het vriespunt daalt. Het verkeer ondervindt tijdens sneeuw ook veel hinder van slecht zicht. Vooral bij natte sneeuw is dat een probleem omdat natte vlokken veel groter zijn dan droge. Tijdens zware sneeuwval is het zicht minder dan 500 meter, vergelijkbaar met mist.

In winterse buien die met een sterke noordwestenwind worden aangevoerd is de sneeuw meestal nat. Ook aanhoudende regen kan overgaan in natte sneeuw. Hoger in de atmosfeer is dat al een mengsel van smeltende sneeuw en regen, die de onderste luchtlagen net voldoende afkoelt (smelten onttrekt warmte aan de lucht) om de regen volledig in sneeuw over te laten gaan. Het moment waarop de regen zich mengt met natte sneeuw is op de thermometer goed te volgen, omdat de temperatuur dan snel daalt. Ook door een aanvoer van koudere lucht met temperaturen rond nul zal de regen overgaan in natte sneeuw en bij een inval van de vorst uiteindelijk in droge sneeuw. De overgang van regen in natte sneeuw of omgekeerd ligt kritisch en is vaak moeilijk te voorspellen.

Weeralarm bij grote overlast
Toch is het wel heel belangrijk en doen de meteorologen hun uiterste best om de vorm van de neerslag zo goed mogelijk in de verwachting te krijgen. Sneeuw veroorzaakt de grootste problemen wanneer de neerslag valt bij vorst, vooral bij matige tot strenge vorst. Als het dan bovendien hard waait, gaat de sneeuw stuiven en ontstaan sneeuwduinen. Wanneer sneeuw wordt verwacht bij windkracht 6 of 7 geeft het KNMI een weeralarm uit voor sneeuwjacht. Bij windkracht 8 of meer en sneeuw geldt een Weeralarm voor sneeuwstorm. Ook bij aanhoudend zware sneeuwval met op grote schaal meer dan 5 cm per uur en vers sneeuwdek van tenminste 5,5 cm wordt een Weeralarm uitgegeven. Dat is gevaarlijk voor het verkeer en leidt tot grote overlast. Sneeuw zelf is niet glad, maar wordt door het verkeer tot glad ijs gereden.

Een duurzaam pak sneeuw is zeldzaam
Een pak sneeuw dat bovendien geruime tijd blijft liggen is in ons land zeker tegenwoordig uitzonderlijk. De verhalen uit de winter van '63, de strengste winter van de vorige eeuw zijn voor de huidige generatie niet te geloven. In de novemberuitgave van "Zwart IJs", een nieuw literair tijdschrift voor schaatsers en lezers, schrijft Jan Buisman dat Midden-Nederland van 26 december tot 5 maart onder een dik sneeuwdek lag. Dat zijn liefst tien weken! Op zondag 30 december 1962 woedde een sneeuwstorm die miljoenen mensen isoleerden door metershoge sneeuwduinen. In ons land duurt het soms jaren voor een volgende sneeuwstorm opsteekt, maar in sommige winters komen er twee of drie in korte tijd voor. In totaal was hier in de 20e eeuw op zeker 22 dagen sprake van een sneeuwstorm, de laatste keer op 8 februari 1985. Eén van de hevigste sneeuwstormen van de eeuw trof de noordelijke helft van het land medio februari 1979. Het noodweer begon op de 14e en het noorden van ons land had ongeveer 90 uur lang zware driftsneeuw. De wind bereikte in vlagen snelheden van 100 kilometer per uur en de sneeuwduinen hoogtes van 3 tot 6 meter. Delen van het land boven de lijn Harderwijk-Amsterdam werden van de buitenwereld afgesneden. Op oudejaarsdag 1978 werd vooral het zuiden getroffen door een sneeuwstorm bij extreem lage temperaturen van 10 tot 15 graden onder nul.

Gemiddeld over een heel jaar varieert het aantal dagen met een sneeuwdek van 10 in Zeeland en Zuid-Holland tot meer dan 25 in het oosten van Groningen en Drenthe en het Limburgse heuvelland. Dat lijkt heel wat, maar op de meeste dagen ligt er weinig en is de sneeuw snel weer weg. Een grote hoeveelheid van meer dan 20 centimeter, die niet door de wind is opgewaaid, komt in het binnenland slechts eens in de 10 jaar voor. Een laag van meer dan 35 centimeter eens in een halve eeuw. In de kustprovincies is de kans op een pak sneeuw nog kleiner, met uitzondering van het Waddengebied. De eilanden liggen bij een koude noordooster soms in de aanvoerroute van sneeuwbuien, die boven het relatief warme zeewater ontstaan. Onder die omstandigheden kregen de Wadden in de winters van 1985 en 1987 plaatselijk een halve meter sneeuw. Zoiets kan zo weer gebeuren ook in het zachtere klimaat dat we nu meemaken.