|
Uitzending Havenstad FM 23 juni 2007 |
Over zomer, grijzen nachten en de middernachtzon
Hoewel het weerbeeld de komende dagen meer associaties met de herfst zal oproepen dan aan de zomer, is het een feit dat op 21 juni 2007, om 20.06 uur officieel de astronomische zomer begon. Over dit jaarlijks terugkerende natuurverschijnsel zijn best een aantal aardige feiten op te sommen.

Hoe zit dat ook al weer precies? Eerst maar eens de nuchtere feiten, die ook getoond worden in de eerste afbeelding. De aarde draait in een jaar om de zon, maar ook in 24 uur om zijn as. Eén omloop om de zon duurt (afgerond) 365 en een kwart dag. De aardas staat echter niet verticaal, maar maakt daarmee een hoek van 23 graden en 26 minuten. Het gevolg hiervan is dat deze as één keer per jaar meer naar de zon wijst, en een half jaar later geldt hetzelfde voor het andere halfrond.
‘s Avonds 20.06 uur wijst de aardas op het noordelijke halfrond maximaal naar de zon en kenmerkt daarmee het begin van de astronomische zomer. De zon staat dan loodrecht boven de Kreeftskeerkring, op 23 graden en 26 minuten noorderbreedte. Daar staat de zon vanmiddag dan ook korte tijd in het zenit. Die keerkring wordt zo genoemd omdat de zon op dit punt inderdaad ‘omkeert’ en de komende tijd weer naar het zuiden begint af te zakken. De naam ‘kreeft’ is gegeven omdat dat het sterrenbeeld is van de dierenriem, waarin de zon momenteel staat.

Op het noordelijk halfrond beleven we dan ook de langste dag en de kortste nacht. Die dag wordt als maar langer, naarmate we verder naar het noorden reizen. In het midden van ons land duurt die dag vandaag maar liefst 16 uur en 45 minuten, van 5.19 uur tot en met 22.04 uur. Zelfs in ons kleine landje is er een duidelijk verschil in daglengte tussen Zuid-Limburg en de Waddeneilanden. Op de Wadden gaat de zon namelijk een kwartier eerder op en ook een kwartier later onder in vergelijk met Maastricht, een verschil van een half uur dus!
Na zonsondergang is het natuurlijk nog niet meteen donker. Zolang de zon minder dan 6 graden onder de horizon staat, spreken we van de ‘burgerlijke’ schemering. Het licht is dan nog sterk genoeg om een normale tekst te kunnen lezen, zonder deze bij te lichten. Zakt de zon verder, dan wordt het daar te donker voor, maar is het nog steeds niet écht donker. Met een zonnestand tussen 6 en 12 graden onder de horizon, is er nog duidelijk ‘licht’ aan de hemel en het landschap niet totaal duister. Dit wordt de ‘nautische’ schemering genoemd. De ‘astronomische’ schemering wordt gekenmerkt door een zonnestand tussen 12 en 18 graden onder de horizon. Het landschap lijkt dan wel geheel duister te zijn, maar het licht langs de horizon is nog sterk genoeg om, ook bij helder weer, de zwakste sterren en bijvoorbeeld ook de vage gloed van de melkweg, te overstralen. Pas als de zon meer dan 18 graden onder de horizon is gezakt, is de nacht geheel gevallen en zijn ook de zwakste sterren te zien.
Nu is het zo dat, in deze tijd van het jaar, de zon in ons land niet tot 18 graden of meer onder de horizon weet te zakken. In feite blijft het zo, van ongeveer half mei tot de derde week van juli, ’s nachts schemeren, al zal men daarvan in vooral steden en grote dorpen niets van merken. In een donkere omgeving zou men rond middernacht echter kunnen zien dat de noordelijke horizon nog vaag verlicht wordt. Die lichtgloed trekt in de loop van de nacht dan langzaam door naar het noordoosten en wordt geleidelijk sterker, zodra het tijdstip van zonsopkomst begint te naderen.
Dit wordt het verschijnsel van de ‘grijze’ nachten genoemd, een verschijnsel dat in theorie zo ver zuidelijk komt als nabij Parijs, maar naarmate men verder naar het noorden reist, steeds markanter optreedt. In ons land is het op de Wadden dan al veel duidelijker te zien dan in Zuid-Limburg. Vakantiegangers die in deze tijd van het jaar in Schotland of in Denemarken vertoeven, zullen ook in de stad merken dat het ’s nachts niet helemaal donker wordt. Nog verder noordelijk gaat de zon niet alleen nog later onder en komt eerder op, het blijft daar ’s nachts ook min of meer licht. In de omgeving van Oslo komt men maar net aan, gedurende korte tijd rond middernacht, in de nautische schemering, maar bijvoorbeeld op IJsland blijft de zon tot rond half 12 schijnen en komt ’s nachts rond 2 uur al weer op. Om middernacht branden er buiten wel lichten, maar is het nog zo licht dat men moeiteloos een boek zou kunnen lezen.
Uiteindelijk belanden we dan op 66 graden en 34 minuten noorderbreedte op de poolcirkel, de denkbeeldige lijn waar de zon één dag per jaar – vannacht dus – niet ondergaat. In feite kan men bij helder weer en vrij zicht op de horizon, deze zogenaamde ‘middernachtzon’ tot maxima 100 à 150 km ten zuiden van de Poolcirkel bewonderen, dit vanwege de atmosfeer die het licht doet krommen en waardoor we de zon nog juist kunnen zien, als hij in werkelijkheid al net onder de horizon is verdwenen.
Reizen we verder noordwaarts, dan treden er meer etmalen met een middernachtzon op, op de Noordpool zelf duurt dat een half jaar. Misschien we het meest beroemde punt om een middernachtzon te ervaren, is op de Noordkaap.
Hoe dan ook, de zomer is vanavond dus niet alleen meteorologisch, maar ook astronomisch begonnen. En nu is het maar afwachten of de atmosfeer in onze omgeving ook die kant op wil wentelen. Voorlopig lijkt het buiten meer herfst dan zomer met temperaturen die sinds lange tijd eens (iets) onder de norm zullen duiken.
Meteo Delfzijl.