|
Uitzending Havenstad FM 27 januari 2007 |
Straling, warmte en temperatuur.
Inleiding
De zon levert met zijn zonnestraling alle energie die de luchtstromingen op aarde op gang houden. Minder bekend is dat ook de aarde warmte uitstraalt; daarbij koelt het aardoppervlak af. Binnenvallende zonnestraling en uitgaande aardse straling regelen samen met factoren als wind, bewolking en vochtigheid de temperatuur van lucht en aardoppervlak. In stuk wordt die samenhang uitgelegd.
Zonnestraling
De zon straalt zijn
energie uit bij een oppervlaktetemperatuur van ongeveer 6000 graden C. Een klein
deel van de uitgezonden energie valt op de buitenste rand van de dampkring en
van dat kleine gedeelte bereikt slechts ongeveer de helft het aardoppervlak (zie
figuur). De andere helft wordt teruggekaatst de ruimte in of geabsorbeerd en in
warmte omgezet door wolken en door gassen in de atmosfeer als waterdamp,
koolzuurgas en ozon. De geabsorbeerde energie wordt echter ook weer door de
dampkring zelf uitgestraald de ruimte in, zodat er daardoor nauwelijks
temperatuurveranderingen in de atmosfeer optreden. In de figuur is een en ander
schematisch weergegeven.
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
|
Invloed van de zonshoogte op de
hoeveelheid opgevangen zonnestraling per vierkante
meter. |
|
Schuininvallend licht van zaklamp op de muur; dezelfde hoeveelheid licht (energie) wordt verdeeld over een groter oppervlak. |
Op de evenaar valt het zonlicht loodrecht in, bij de polen schuin. Daardoor is bij de polen minder energie beschikbaar per vierkante meter. |
De zonnestraling die het aardoppervlak bereikt, wordt er gedeeltelijk
geabsorbeerd en omgezet in warmte. De mate van absorptie hangt sterk af van de
aard van het aardoppervlak. Begroeide en donkere delen, zoals bossen en asfalt,
absorberen de straling; witte delen, zoals sneeuw- en ijsvlakten, kaatsen haar
terug. Van de straling die door het oppervlak geabsorbeerd wordt, verdwijnt een
klein gedeelte de bodem in; die straling warmt zo diepere lagen in de bodem
langzaam op. De rest van de door de bodem opgenomen straling levert de energie
om bodemvocht te verdampen en om de lucht vlak boven het aardoppervlak op te
warmen.
De hoeveelheid zonnestraling die we aan het aardoppervlak op een
vierkante meter ontvangen, hangt af van de afstand van de aarde tot de zon en
van de zonshoogte. Deze hoeveelheid straling varieert dus in de loop van de dag
en ook in de loop van het jaar.
De meeste zonnestraling gedurende een etmaal
wordt rond de middag ontvangen, als de zon op haar hoogst staat. Evenzo valt er
's zomers, als de zon hoog aan de hemel staat, meer zonnestraling in dan 's
winters.
|
|
|
|
De aarde ontvangt straling van de zon,
maar zendt zelf ook warmtestraling uit. Een deel daarvan wordt onderschept
door de atmosfeer en teruggestraald naar het
aardoppervlak. |
Wisselbeeld: Verdeling van de
zonnestraling. |
Aardse straling
Het aardoppervlak en
de atmosfeer zenden zelf ook onafgebroken straling uit. Als de zon onder is,
wordt geen zonnestraling meer ontvangen. Het aardoppervlak gaat echter gewoon
door met het uitstralen van warmte; ook blijft het nog straling opvangen van de
atmosfeer. Die straling is echter onvoldoende om de afkoeling van het
aardoppervlak tegen te houden. Doordat de aard van het aardoppervlak van plaats
tot plaats sterk varieert, zullen de uitstraling en daardoor de nachtelijke
afkoeling eveneens sterk wisselen van plaats tot plaats. De nachtelijke
afkoeling wordt echter niet alleen bepaald door uitstraling vanaf het
aardoppervlak; ook wind en eventueel aanwezige bewolking spelen een grote
rol.
De rol van de wind
De wind bepaalt
heel sterk hoe de warmte van het aardoppervlak aan de lucht wordt afgegeven.
Lucht is zelf een goede isolator, zodat de warmte vrijwel niet door geleiding
overgedragen wordt; de wind brengt echter uitwisseling met de bodem op gang van
zowel warmte als vocht. Naarmate er meer wind is, is die uitwisseling
effectiever.
Overdag, als de zon het aardoppervlak sterk opwarmt, voert de
wind de warmte af en draagt hij die over aan de lucht. Dat leidt er toe dat de
onderste luchtlagen gedurende de dag sterk opgewarmd worden. Op dezelfde wijze
bevordert de wind de verdamping vanuit een vochtige bodem; dit proces is
vergelijkbaar met droogwapperen van wasgoed in de wind.
Na zonsondergang
verandert de situatie. Het aardoppervlak koelt af door uitstraling, maar de
lucht erboven nog nauwelijks. Als het helder weer is met weinig wind, zal de
temperatuur van het aardoppervlak snel dalen. In het winterhalfjaar komt de
temperatuur van het aardoppervlak dan gemakkelijk onder het vriespunt. De lucht
erboven koelt echter niet zo sterk af. De temperatuur op enkele meters hoogte is
onder dergelijke omstandigheden in het algemeen wel vijf graden of meer hoger
dan de temperatuur vlak bij de grond.
Is de lucht erg vochtig, dan kan vlak
bij de grond gemakkelijk condensatie optreden doordat de lucht afkoelt tot het
dauwpunt (zie figuren hieronder). Afhankelijk van de windsnelheid leidt dit tot
mist of tot dauwvorming. Is de temperatuur van de bodem of van een wegdek dan al
beneden het dauwpunt, dan zal het teveel aan vocht veelal neerslaan als dauw.
Het optreden van mist of dauw heeft echter een sterk remmende invloed op de
afkoeling; bij condensatie van waterdamp komt namelijk veel warmte vrij, wat
verdere afkoeling van de lucht tegen gaat. Is er iets wind, dan zal die ervoor
zorgen dat de lucht in de onderste meters gemengd wordt, waardoor de mist zich
gemakkelijk in de hoogte uitbreidt. Is het windstil, dan gebeurt dat niet.
|
|
|
|
Grondmist, ontstaan na nachtelijke afkoeling.
De rol van de wind is echter wat gecompliceerder dan tot nog toe werd beschreven.
De rol van bewolking
Naast de wind
speelt ook de bewolking een grote rol bij de nachtelijke afkoeling. In wolken
zitten waterdruppeltjes en ijskristallen. Het water in die wolken, zowel in
vaste als in vloeibare vorm, absorbeert vrijwel alle straling die door het
aardoppervlak wordt uitgezonden. Afhankelijk van de temperatuur van de wolken, -
en dus van de hoogte waarop ze zich bevinden, - zal de bewolking een groot deel
van de straling weer terugstralen naar het aardoppervlak. Dit verklaart het
verschil in temperatuur na een heldere en na een bewolkte nacht. In een heldere
nacht kan de aardse straling ongehinderd naar de wereldruimte verdwijnen,
waardoor sterke afkoeling optreedt. Is het daarentegen bewolkt, dan wordt die
straling onderschept en in meerdere of minderde mate teruggestraald. Daarbij
moet nog in rekening gebracht worden dat de atmosfeer zelf ook warmte
uitstraalt, gedeeltelijk ook naar het aardoppervlak toe.
Ook kan het zijn dat
nog een gedeelte van de straling die het aardoppervlak bereikt, gereflecteerd
wordt. Dat hangt sterk van de aard van het oppervlak af. De hoeveelheid door de
aarde uitgezonden straling is ongeveer even groot als de door de atmosfeer naar
het aardoppervlak gezonden hoeveelheid straling. De straling uitgezonden door de
wolken ligt in de orde van een tiental procenten van deze waarden. Wolken spelen
dan ook een grote rol bij de nachtelijke afkoeling. Of er uiteindelijk meer
energie uitgestraald wordt door het aardoppervlak dan er ontvangen wordt, hangt
sterk van de bewolking af. Een geringe hoeveelheid bewolking is al voldoende om
de balans te laten doorslaan naar een situatie waarbij het aardoppervlak meer
straling ontvangt dan kwijt raakt, waarbij de nachtelijke afkoeling sterk
vermindert of stopt. Een voorbeeld van een gedurende de nacht oplopende
temperatuur bij het binnendringen van bewolking geeft de figuur hiernaast.
Het zal duidelijk zijn dat hierbij ook de wind weer een rol speelt; die
bepaalt mede of er net meer warmte wordt toegevoerd of wordt afgevoerd. Verder
speelt de terreininvloed ook weer mee. Het geheel is dus een tamelijk
ingewikkeld en vooral subtiel proces. Kleine veranderingen of verschillen hebben
grote invloed. Dat blijkt ook uit vergelijking van plaatsen waar mist en/of
gladheid ontstaat. Er treden vaak grote verschillen op over kleine
afstanden.
![]() |
![]() |
|
Weerwaarnemingen Hoogeveen. Tussen 22 en
23 uur raakt het bewolkt en komt de nachtelijke afkoeling tot stilstand,
waarna de temperatuur weer oploopt. |
|
Gladheidssituaties door straling
In veel gevallen is de lucht droog genoeg om geen problemen met mist of gladheid
te veroorzaken gedurende winteravonden en stralingsnachten. Uit onderzoek bleek
echter dat gladheid en stralingsmist veelal optreden als er een westelijke of
noordelijke luchtcirculatie boven Nederland en omgeving staat. In dergelijke
circulaties wordt er lucht via de Noordzee aangevoerd. Deze lucht is in de
onderste lagen erg vochtig. Is het onder dergelijke omstandigheden gedurende de
avond en nacht helder en valt als gevolg van de zogenoemde dagelijkse gang van
de windsnelheid tevens de wind weg, dan vindt sterke afkoeling door uitstraling
plaats. De lucht koelt af tot het dauwpunt. Het dauwpunt is die temperatuur
waarbij waterdamp begint te condenseren door afkoeling van de lucht zonder dat
er vocht wordt toegevoerd of afgevoerd. Er
ontstaat, afhankelijk van de windsnelheid, mist of dauw. Vaak ook zal een wegdek
sterker afkoelen, tot onder het dauwpunt, waardoor het vocht op het wegdek
neerslaat. Verdere afkoeling tot temperaturen rond of onder het vriespunt kan in
dit soort situaties leiden tot gladheid, al of niet in combinatie met mist.
Lokale effecten spelen hierbij wel een heel grote rol. Er treden daardoor in die
situaties altijd aanzienlijke verschillen op tussen de ene plaats en de andere.
Temperatuur
In het voorgaande is het
begrip 'temperatuur' vele malen genoemd. In deze paragraaf lichten we de
verschillende temperaturen die in de meteorologie gebruikt worden nader
toe.
Wat is temperatuur. Het is een natuurkundige maat voor de begrippen warm en
koud. De temperatuur is een aanduiding voor de warmtetoestand van een gas, een
vloeistof of een vaste stof en wordt gemeten door een thermometer. In de
meteorologie is de temperatuurmeting, zoals alle waarnemingen, aan
internationale afspraken gebonden.
De meest voorkomende temperatuur is de 'luchttemperatuur'. Deze wordt
gemeten op en hoogte van 1,5 m boven het aardoppervlak. De meetopstelling (zie
figuur) is zodanig dat stralingseffecten de temperatuurmeting niet kunnen
beïnvloeden. Er mag geen direct zonlicht op de temperatuursensor vallen om te
voorkomen dat de thermometer te hoge waarden aanwijst. Ook mag de thermometer
zelf niet uitstralen en daardoor te lage waarden aangeven. Verder wordt de
meetopstelling goed geventileerd, zodat de sensor zo indringend mogelijk in
aanraking is met de lucht waarvan we de temperatuur willen weten.
De
luchttemperatuur vertoont een dagelijkse gang; in een volgende hoofdstuk gaan we
daar verder op in. Nu volstaan we met op te merken dat de temperatuur in de
middag haar hoogste waarde bereikt: de maximumtemperatuur en kort na zonsopkomst
de laagste: de minimumtemperatuur.
Het vermelden van de waarnemingshoogte bij
de meetprocedure voor de luchttemperatuur is belangrijk. Dichter bij het
aardoppervlak is de invloed van in- en uitgaande straling groter. De temperatuur
heeft er daardoor een grotere dagelijkse gang, vooral bij helder weer. In de
middag is het dichter bij de grond warmer, rond zonsopkomst kouder dan op 1,5 m.
Vooral die lage temperaturen zijn belangrijk voor bijvoorbeeld de landbouw;
daarom wordt er ook op 10 cm hoogte gemeten en per tijdvak van 6 uur wordt de
laagste in die periode gemeten waarde bepaald: de
grasminimumtemperatuur.
Wegbeheerders en weggebruikers zijn vaak
geïnteresseerd in de temperatuur van het wegdek; als deze onder nul is en het
wegdek bovendien nat is of er neerslag verwacht wordt, kan gladheid optreden.
![]() |
![]() |
![]() |
's Zomers wordt in de weerberichten vaak de zeewatertemperatuur opgenomen.
Omdat de doelgroep uit badgasten bestaat wordt de temperatuur opgegeven van het
Noordzeewater vlak onder de kust. Verder uit de kust heeft het zeewater
gewoonlijk een andere temperatuur (zie figuur wat verder naar boven
rechts).
Belangrijk is ook de gevoelstemperatuur. Deze temperatuur geeft
beter aan dan de gewone luchttemperatuur of we het warm of koud vinden. Als er
wind staat bijvoorbeeld, voelt het bij lage temperaturen nog veel kouder aan.
Als het heet is, voelt het in vochtige lucht benauwder aan dan in droge lucht.
De gevoelstemperatuur geeft een waarde voor de temperatuur die rekening houdt
met windsnelheid en luchtvochtigheid. Als de luchttemperatuur laag is en er veel
wind staat, is de gevoelstemperatuur dan ook lager dan de luchttemperatuur; als
het warm is en vochtig, is de gevoelstemperatuur hoger dan de luchttemperatuur.
De stad als 'warmte-eiland'
De
luchttemperaturen die worden vermeld in weerrapporten en weerberichten, worden
gemeten op meteorologische waarnemingsstations in min of meer landelijk gebied.
Daardoor zijn ze onderling goed te vergelijken; vaak zijn ze echter niet
representatief voor temperaturen die binnen de bebouwde kom optreden. Vooral in
grote steden kunnen de verschillen aanzienlijk zijn. Het steen en het beton van
de bebouwing houdt overdag ontvangen zonnewarmte lang vast, zodat het 's nachts
maar langzaam afkoelt. Daarnaast wordt er in stedelijke gebieden veel warmte
geproduceerd, die naar buiten toe weglekt en temperatuurdaling 's nachts
tegengaat. Men zegt wel dat de stad fungeert als warmte-eiland (zie figuur
hieronder).
![]() |
|
|
De stad als warmte-eiland.
In het centrum is het een stuk warmer dan in de omgeving |
Stralingshuishouding van de atmosfeer. |
Stralingsbalans
Het stelsel
aarde-atmosfeer wordt door de eeuwen heen gemiddeld genomen niet warmer of
kouder. De temperatuur schommelt maar ongeveer 0,5 graad C. Er moet dus evenveel
energie door de aarde worden uitgestraald als ze van de zon
ontvangt.
Verscheidene onderzoekers hebben een zogeheten stralingsbalans
opgesteld, waarin ze uitgerekend hebben, dat de inkomende straling met de
uitgaande in evenwicht is.
Het wordt echter steeds duidelijker, dat de toevoer van gassen, zoals CO2 en van andere verontreinigingen in de dampkring, die tengevolge van menselijke activiteiten ontstaat, dit evenwicht ernstig kan verstoren. Dat leidt tot het versterkt broeikaseffct en aanwarming van de aardse atmosfeer.